- Luizen, zegt Naomi.

 

Han en ik willen direct een stuk verder van de bijstandsmoeder gaan zitten, maar alle barkrukken zijn vanavond bezet.

 

- Ik heb geen luizen, mietjes, zegt Naomi, maar mijn jongste dochter.

- Luizen springen over, zegt Han.

- Daarom heb ik de heleboel ook in de wasmachine gedaan, zegt Naomi.

- De luizen? vraag ik.

 

Wat ik op zich goed vind. Het is niet aardig, maar het is goed die krengen allemaal te verzuipen. Of ze in elk geval knap duizelig te maken. Net als muggen kunnen luizen verschrikkelijke jeuk veroorzaken. Er is geen excuus voor die dwaling van de natuur. Parasieten zijn het! Midas Dekkers zal er vast wel een droogkomische verklaring voor hebben, hoe ook luizen en muggen een cruciale rol spelen in het ecosysteem. Maar dat kan me niet boeien. Die krengen moeten allemaal worden uitgeroeid. Met hardhandige hand!

 

- Het kan ook met een zalfje, zegt Naomi, dat is wat je nu ruikt.

 

Een pregnante geur.

 

- Het is de DDT onder de anti-luismiddelen, lacht ze, er zijn ook wel milieuvriendelijkere varianten op de markt, maar die werken stukken minder.  

 

Wat luizen betreft neemt de bijstandsmoeder geen halve maatregelen. Ze heeft het niet breed, maar in deze situatie zet ze liever een kernbom tegen het ongedierte in, dan dat ze voorzichtig vreedzame onderhandelingen start. Dus heeft ze eerst het haar van beide dochters strak uitgekamd om de meeste luizen en hun eitjes te verwijderen, alle kinderen en zichzelf met zalf ingesmeerd en tenslotte het volledige textiel – naast kleding, dekens en lakens ondermeer ook de hoes van het bankstel – in de was gedaan.

 

- Dat zal ze leren, zegt Han.

- Ik wil niet eens dat die luizen het afleren, zegt Naomi grimmig, ik wil alleen maar dat ze dood gaan.

- Zo is het, zeg ik instemmend.

- Net als al die meisjes bij mijn dochter in de klas.

- Zo is…

 

Ik maak mijn zin niet af. Hoeft ook niet, want Naomi meent dat niet echt. Maar het is nu al de tweede keer dit schooljaar dat het gebeurt. Het kost haar handenvol geld.

Dan kijkt ze mij aan.

 

- Ik wou dat al die meisjes op jou leken, zegt ze.

- Hoezo? vraag ik.

- Jij bent kaal. Op zo’n schedel wil nog geen luis dood gevonden worden.

 

Waarop Han mij hoofdschuddend aankijkt.

 

- Maar het zou funest zijn voor de menselijke voortplanting.

 

 

 

© Bill Mensema, februari 2011