Toen haar baasje op wintersportvakantie ging, werd Lotje bij de grens vastgebonden aan een boom. De grenzen waren indertijd nog gesloten. Ik wil het niet hebben over het onbeschrijfelijk leed, dat Lotje onderging toen haar baasje in z'n camper stapte of de periode, die daarop volgde, dat Lotje in eenzaamheid haar dagen versleet aan de boom. We hebben de dierenbescherming om ons daarop te wijzen.

Ik zal ook de sappige details niet allemaal opdissen, hoe zij keer op keer de riem trachtte door te bijten, hoe ze honger en dorst had geleden en hoe onderwijl een mals konijntje, dat zeer wel de machteloze positie begrepen had, waarin Lotje zich bevond, haar zo nodig moest pesten, door vlak voor haar neus aan het gras te gaan knabbelen. Dat is stof voor ethologen.

Ik zal ook geen beschrijving van het weer geven en het landschap daarbij. Dat Lotje klappertandend de afschuwelijkste ontberingen moest verdragen en de wind en de regen nauwelijks gebroken werden door een bladerdak. Landschapsschilders kunnen dat veel beter dan ik en meteorologen kunnen het weer zelfs voorspellen. Planologen zouden in de toekomst een uitnodigend plekje aan de grens kunnen reserveren met een afdakje daarbij als de grenzen weer dicht gaan.

Ik zal de lezer ook het moralistisch betoog besparen, dat als men op vakantie naar het buitenland gaat en de hond voor de grens met een riem aan de boom vastbindt, dat men dan grensoverschrijdend en verkeerd bezig is. Elk dorp heeft een politieagent, een dominee of pastor, en we hebben Freek de Jonge.

 

Goh, wat is in Nederland alles goed geregeld.

 

Ik zal vertellen over de lotgevallen van Lotje, nadat ze zich eindelijk bevrijd had van de boom; de trouwe viervoetster vervolgens de grens overschreed om haar baasje op te zoeken, en na vele omzwervingen hem terugvond, vastgebonden aan een totempaal, in het land, dat bekend is om zijn kromme vergelijkingen.

Het was hondeweer. Lotje was uitgehongerd en broodmager. En daar stond haar baasje, kersvers vlees. Ze werd verscheurd door een innerlijke twijfel, die zijn weerga niet kende. Moest ze het touw of het been doorbijten? Dat was het dilemma, waar Lotje voor stond. Ze had honger als een wolf. Maar ze had ook begrepen dat haar baasje geen visum voor haar kon krijgen vanwege de hondsdolheid, die er in haar eigen land heerste, dus ze had begrip voor de toestand gehad.

Lotje nam de situatie in ogenschouw. Rondom de totempaal stonden bierflesjes als piepkleine totems, waaraan een worm, een spin en een muis waren vastgeknoopt. Ze stonden in een logaritmische schaal symbool voor de liefde, die de mensen in dit land voor de natuur koesterden. In het midden stond een natuurgetrouwe copie van een bierpul, en daaraan was baasje vastgebonden, geheel aan z'n Lot overgelaten.

Dat alles haalde Lotje uit een viertalige gidsje, toen ze de rebusjes had opgelost en de graffiti ontcijferd.

Er kwamen woeste krijgers. Ze dansten bloedserieus rondom de totempaal. Ze dansten als Indianen, als loodgieters, als koorknapen die teveel van het vuurwater hadden gedronken en goed in de olie waren. Het werd Lotje al snel duidelijk, dat het heidenen waren, die de God van het Watervuur aanbaden en baasje aan de schandpaal hadden genageld omdat zijn camper meer verbruikte dan één op tien.

Watervuur, daarmee verwarmden ze hun huizen, daarmee verplaatsten ze zich in hun heilige buffels, daarvan maakten ze Molotov-coctails om hun vijanden mee te doden. Watervuur, daarmee losten ze vetvlekken op; dat was hun spirituele bron, daarvan snoven ze diep de dampen op teneinde contact met hun voorouders te krijgen als ze bijvoorbeeld een recept voor erwtensoep waren vergeten. En ze ontleenden er hun visioenen aan, waarin uit veelkleurige, hardgekookte paaseieren, allerlei ongedierte kwam, waarnaar ze vernoemd werden; ongedierte dat hun aanwijzingen gaf om hun levensproblemen op te lossen.

Althans, dat was wat Lotje ervan gemaakt had, nadat ze hun ballet hadden opgevoerd. Ze wilde niet discrimineren, maar het was toch wel een heel eigenaardig volkje.

Oh ja, Lotje stierf van de honger. En ze wilde haar baasje redden.

'Het touw of het been. Het touw of het been. Het touw of het been.' Dat ging er door haar heen.

De reclameboodschap had indruk gemaak. Watervuur, dat moest ze gebruiken. Ze drukte stiekem een flesje achterover en inhaleerde diep de dampen. Er groeide een kraakhelder visioen in haar geest, een felgekleurd struisvogelei, een ei van Columbus. En toen ze het had uitgebroed, krijste het kuiken de kreet: ´Ze hebben recht op een gelijke behandeling, touw en been.´

© Hubert Klaver