Van passie tot publicatie - Bill Mensema

door Louis Stiller

Bill Mensema debuteerde deze lente met Doem dada, bij uitgeverij Passage. In de vuistdikke roman neemt hij ons mee naar
het Groningen van begin jaren tachtig, toen het doemdenken van de No Future-generatie hoogtij vierde. Bill, Han en Koos, vaste bezoekers van jongerencentrum Vera, zijn echter vooral bezig met bandjes, joints en meisjes. "Schrijven is energie en discipline in een verhaal stoppen. Op een gegeven moment krijg je dat terug. Dan snap je het, dan valt alles op zijn plaats. Dat is een fantastisch moment."

 

"Ik wist altijd al dat ik goed kon schrijven, maar lange tijd heb ik gedacht dat het de muziek was, waarin ik door zou gaan. Dat gebeurde aanvankelijk ook, met Crimes of Nature, de band waar ik in zat, maar op een gegeven moment stopte dat, en daar had ik vrede mee. Ik was serieuzer geworden en werd ICT'er, maar ik voelde dat dat niet helemaal goed voor me was. Maar wat?"
"Op een gegeven moment was ik wat in de war, had ontslag genomen en ging naar familie in Australië. Om iets te doen te hebben,
ben ik daar gewoon wat gaan schrijven. Al die verhalen in mijn hoofd uitwerken. Eerst waren dat hele pretentieuze zware stukken, maar uiteindelijk schreef ik stukken over mijn jeugd in Appingedam en Delfzijl. En dat was zo goed, vond ik, dat ik bij terugkomst dacht: hier moet ik mee doorgaan."
"Een vriendin van mij, Yorien, begeleidt schrijvers en zij had me een keer meegenomen naar Proza proeven in Groningen, georganiseerd door uitgeverij Passage en studentenvereniging Usva. Dat voelde meteen goed, om weer op het podium te staan, net als vroeger met de band. Bovendien werd ik liefdevol omringd door allerlei Groninger schrijvers als Ronald Ohlsen en Tjitse Hofman. Ze zeiden: 'Je moet een boek schrijven, dan kun je nog veel vaker optreden.'"
"Mijn moeder merkte dat ook, dat ik er weer zin in had, in het schrijven en het leven. Vlak voor haar dood zei ze: 'Ik ben blij dat je er weer bent.' Dat begreep ik toen nog niet, maar later wel. Ze had meer vertrouwen in me, dan ik destijds."
"In de zomer van 2006, mijn moeder was net overleden, zat ik in Frankrijk en begon het ineens te stromen. Ik ging op een terras zitten met mijn aantekeningboekjes, dronk liters Perrier en ik schreef maar door. Er ontstond een groot idee, het verhaal doemde ineens op. Allerlei ideeën stroomden binnen."
"Gelukkig kreeg ik daarbij hulp van Yorien. Op een zeker moment had ik een verhaal van vijftien pagina's lang, waarvan ik vond
dat het 't beste was wat ik ooit geschreven had. Ik las het aan haar voor, en ze zei meteen: 'Mooi verhaal, maar er klopt een heleboel niet. Dit en dat werkt niet, en dat ene verhaal vertel je gewoon na, dat kan niet. En de spanningopbouw klopt ook niet.' Hard maar rechtvaardig."
"Op basis van haar opmerkingen ben ik gaan herschrijven, en heb het verhaal teruggebracht tot zeven pagina's. Dat was stukken beter. Van dat verhaal heb ik uiteindelijk een scène kunnen gebruiken in Doem dada. Twee regels. De rest bleek uiteindelijk rotzooi. Daar bleek ze gelijk in te hebben."
"Een van de eerste fouten was dat ik een twintigjarige hoofdpersoon in de ik-vorm liet vertellen. Dat was een blunder. Het was aanvankelijk nogal een lastig mannetje en dat was fout, ik moest hem veel naïever maken. En ik moest een verteller hebben, om de spanning op te kunnen bouwen en af en toe buiten die jongen te kunnen vertellen."
"Natuurlijk lijkt Bill, de hoofdpersoon op mij, maar het is maar een deel van wie ik toen was. Vanwege het verhaal moest ik de
Bill uit het boek veel naïever maken dan ik toen was. Voor het verhaal werkt het namelijk beter om een bibberig jongetje te gebruiken, want die kan mensen meenemen. Hij weet niet alles, dat is beter voor het verhaal."
"In Doem dada is het Koos, de coole muzikant, die al die meningen heeft. Dat waren gewoon ideeën en meningen van mijzelf destijds. Ik zat zelf ook altijd te blaten. 'Hoezo moet een optreden langer duren dan een kwartier, wat een flauwekul.' Dat soort dingen zei ik toen. In het boek heb ik dat in de mond van Koos gelegd. Ook de problemen van Han met vrouwen, dat gebeurde mij destijds ook. 'Met jou kan ik tenminste praten,' zeiden ze. Ja maar, ik wil seks met jou! En dat kreeg ik niet."
"Bij het schrijven vergroot je dingen uit – van jezelf, maar ook van anderen. Die Han, de vormgever met z'n hippiehaar, moest bijvoorbeeld echt een tobberig figuur zijn. Bill struikelt van de ene situatie in de andere. Zo geef je iedereen een rol."
"Een van de belangrijkste invloeden voor mij is de televisieserie Cheers. Ik houd van die manier van werken. Je verzint een personage, bouwt die uit en op een gegeven moment ontstaan er vanzelf grappen rond dat personage. Neem alleen al die postbode,
Cliff Clavin. Zijn grappen hoef je van te voren dan niet allemaal te bedenken, die komen vanzelf."
"Dat gebeurde ook met de titel van het boek. Ik had allerlei titels bedacht, maar daar was ik niet zo tevreden mee. Op een zeker moment liep ik in een parkeergarage in Nieuwegein, waar ik bij een ICT-bedrijf werkte en kwam het ineens bij me op: Doem dada! Als je zo vol van je verhaal bent, plopt dat ineens tevoorschijn."
"Ik probeerde in het boek gewoon een ritmepatroon te beschrijven: Doem dada. Doem dada. Dat had ik al lang geschreven, dat
stond onder andere heel mooi in de eindscène die ik al heel snel had. Maar pas in de parkeergarage besefte ik dat Doem dada ook de titel moest zijn. De uitgever was er aanvankelijk minder enthousiast over. 'Dat kan toch niet?' Maar ik hield stug voor, en nadat hij het manuscript had gelezen was hij het er ook wel mee eens."

 

"Die uitgever, Anton Scheepstra, kende ik van de studie Nederlands, ik heb maar een jaar gestudeerd. Later kwam ik hem weer bij Proza proeven tegen dat hij organiseerde. Hij vond mijn voordrachten altijd heel boeiend, maar wilde niet allerlei korte verhalen publiceren. 'Schrijf maar een roman.'"
"Toen ik zeventig pagina's had geschreven, heb ik Yorien uitgenodigd om een kop koffie te drinken in de stad, en heb ik haar het verhaal voorgelezen. 'Wow, dit is goed,' zei ze. Dat was voor mij een enorme opsteker. Daarna heb ik het hele boek in een keer uitgeschreven, zonder haar hulp. Pas daarna heeft ze het gelezen. En de uitgever ook. Die is er niet alleen met de stofkam doorheen gegaan, maar gaf bijvoorbeeld ook aan dat een van de delen – De Band – te lang was, en de zaak uit balans bracht. Ook op het laatste moment heeft hij nog erg veel rotzooi eruit gehaald."
"Met Doem dada wilde ik allereerst vertellen wat er destijds in het begin van de jaren tachtig gebeurde, hier in Groningen: in mijn leven, met mijn generatie. Maar ik wilde ook een boek schrijven dat ik zelf wilde lezen.
"In totaal heeft het me drieëneenhalf jaar gekost. Ik werkte toen nog, en schreef voornamelijk in de weekends, soms 's avonds.
Dat is heel lastig. Nu schrijf ik van 's morgens zeven tot 's middags een, dan is de koek op en ga ik andere dingen doen. Dat
is mijn ideale schrijfritme."

 

"En nu ben ik gedebuteerd, en dat vind ik eigenlijk frustrerend. Ik vind dat iedereen het boek zou moeten kennen en lezen. Het is gewoon een leuk, goed boek, het mag gelezen worden. Het moét gelezen worden. Ik heb m'n stinkende best gedaan om een mooi kindje te maken, ik ben de trotse vader, en vindt dat iedereen het moet zien. Kijk 'ns wat een mooi kind!"
"Natuurlijk zijn er erg veel mensen die een boek hebben geschreven, daar moet je maar tussen zien te komen. En om Beroemde
Nederlander te worden, daar heb ik ook geen zin meer in. Ik wil gewoon dat mijn boek gelezen wordt. Na de vakantie heb ik me
daarom voorgenomen om gewoon rond te gaan toeren door het land met een stapeltje boeken en voor te lezen."

Fragment uit Doem dada van Bill Mensema (Uitgeverij Passage)

- Voel je het?

 

Buiten het tikken van de weg voelde ik niets. Het was echt zo'n ouderwets stuk snelweg waar we nu overheen reden. Ook in het
donker begreep ik dat we nu over betonplaten heen reden. Zulke platen waren nooit goed op elkaar aangesloten, zo had mijn
vader me wel eens gezegd. De volgende plaat lag altijd iets hoger of iets lager. Om de zoveel tellen voelde je dan een tik. Als je er niet op lette, dan kon deze eigenaardigheid van zo'n oude, amper onderhouden snelweg zo aan je voorbij gaan. Maar ik was sinds de opdracht van Koos volledig geconcentreerd op alles en nog wat, net zoals tijdens een examen op school of op de universiteit. Mijn ontging dan niets.
Zo ook nu. Nu hoorde ik dat continue geluid van tikken, telkens waaneer de banden van de Kever van Otto een volgende
betonplaat opreden.

 

Tik.

 

Tik.

 

Tik.

 

Het ging maar door. Maar dat bedoelde Koos vast niet.

 

- Ja, loog ik, ik voel het.
- Dat is goed, zei Koos.

 

O shit, zou zat ik weer te liegen. Nou zat ik weer iets te beweren wat niet helemaal waar was. Daar moest ik snel mee stoppen, anders werd het alleen maar erger. Dan ging ik straks iets zeggen dat ik helemaal niet zeker wist en daar zou Koos dan vast heel snel doorheen prikken. Met als gevolg dat hij me dan zeker de band zou uitgooien, en misschien zelfs wel uit de auto, hier in the middle of nowhere.

Nee, ik kon maar beter open kaart spelen.

 

- Koos?
- Ja?
- Ik voel het toch niet.
- Net zei je nog dat je het voelde.
- Ik wist eerlijk gezegd niet wat je bedoelt.

 

Koos draaide zich naar me toe.

 

- Voel je de tikken van de snelweg?
- Ja die voel ik.
- Dat is precies wat ik wil dat je voelt.
- Dan voel ik het, lachte ik opgelucht, ik voel de tikken van de snelweg.
- Perfect, zei Koos.
- Wat zou je in Gottesnaam ook anders moeten voelen hier, mompelde Otto.